Ronny’s woorden bij de presentatie van het boek ‘Het verlaten hotel’ door burgemeester Job Cohen.
Wanneer ik mijn ogen sluit, voel ik de aarde van het museumplein nog onder mij. Ook de hand van mijn zusje in de mijne, samen lopend langs de grachten, zoekend naar mijn vader die was opgepakt door de SS.
Details uit een kinderleven. Maar als ik dan de moed heb over meer te denken, voel ik de tranen komen. M’n vriendjes en vriendinnetjes die zo geruisloos zijn verdwenen, niet alleen uit mijn leven. Hoe oud werden zij? Deze kinderen zonder toekomst. Waarom? Ja, ze waren joods, velen wisten het nauwelijks.
En dan mijn vriendje Willy ondergedoken in een donkere kelder tegenover mijn huis. Wat speelden we samen binnen in huis - de straat voor hem met zijn ster te gevaarlijk - alles wat de fantasie van een kind aankan. Hij Willem van Oranje en ik Balthasar Gerards, de volgende dag de rollen omgedraaid.
Willy verdween uit mijn leven, gehaald in een duistere nacht.
Het heeft meer dan een halve eeuw geduurd voordat ik wist wie Willy wérkelijk was. Z’n naam, zijn familie, z’n broer en zusjes. Het laatste souvenir uit hun huis, een glazen hondje van nog geen 3 cm hoog. En met stukjes en beetjes, details, één aanvulling vaak een volgend beeld.
Zijn hondje bleef thuis in Den Haag, mijn twee witte konijntjes in z’n plaats hier in Willy’s Amsterdamse keldertje. Hij werd op de dag af 12 jaar toen de gaskamer een einde aan z’n leven maakte samen met dat van zijn moeder en al die anderen.
Maar nu, zoveel jaren later wanneer ik op mijn computer Willy van Biene in toets, is hij terug. Een naam slechts die ik altijd met me mee zal dragen….
Ronald Sweering