Fragmentje uit het boek Het verlaten hotel blz. 88 over de ontmoeting met Willy
Tegenover Atlantic maakt Ronny een handstand. Langzaam loopt het bloed naar zijn hoofd tot het klopt. Hoe houden die vleermuizen het zo lang vol, ondersteboven? Hé, wat is dat? De vitrage voor het kelderraampje pal voor zijn neus beweegt. Er komt een vinger onderdoor die met spuug de letter D op het stoffige ruitje schrijft. Dan een A en een G. Verbaasd zet Ronny zijn voeten weer op de grond. Nu tekent de vinger een R, daarna een O. Tot er uiteindelijk staat:
D A G R O N N I E.
Nieuwsgierig probeert Ronny op zijn knieën naar binnen te kijken. Hij hoopt dat dit Hetty is. Misschien is ze ontsnapt uit de Hollandse Schouwburg. Na een snelle blik over zijn schouder of er iemand kijkt, tikt hij op het raampje. Geen reactie, ook niet als hij zachtjes roept: ‘Hetty!’
Meteen gaat de voordeur open. De overbuurvrouw die hem hielp bij het luchtgevecht, wenkt hem. Zij heeft nu een gele ster op. Zodra Ronny in het halletje staat, doet ze de deur dicht.
‘Wat heb je gezien?’ Ze vraagt het heel ernstig.
‘Niets. Nou ja, alleen een vinger. Is Hetty bij u?’
‘Beloof me dat je hier nóóit met iemand over praat,’ bezweert ze.
Achter haar gaat de tussendeur naar de gang open. Maar het is Hetty niet. Ronny ziet een vrolijk jongenshoofd dat naar hem knipoogt.
‘Ha die Ronny, wil je mijn boeken zien?’
Bliksemsnel draait de vrouw zich om. ‘Willy, ga ogenblikkelijk naar beneden!’
‘Tante Cato toch,’ plaagt de jongen. ‘Eerst ben ik zo stom om mijzelf aan Ronny te verraden. En nu verklapt u dat ik Willy heet!’